De onsterfelijke koppigheid van Jozef Deleu
Door Lukas De Vos
Nooit heb ik Jozef zo vaak gehoord als in de zes jaren die hem nog gegund waren na zijn bekroning met de Arkprijs in 2020. Hij had er lang op moeten wachten. Al sinds zijn snijdende redevoering De Pleinvrees der Kanunniken (1987) over de Vlaamse bedeesdheid om de vrijheid te omarmen en de eigen taal en cultuur kritisch te zuiveren en verstevigen, was hij in de running voor de Arkprijs van het Vrije Woord. Hij had het al opgenomen voor de journalistiek die, zoals het hoort, in botsing kwam met de achterkamerpolitiek en de beangstigende zelfgenoegzaamheid van de Vlaamse partijpolitiek en de regering (tot 1993 nog de Vlaamse Executive). Maurice De Wilde (laureaat 1982) en Daniël Buyle (1985) kregen zijn onvoorwaardelijke steun, omdat zij tegen politieke druk en koudwatervrees van de media niet langer klakkeloos na-aapten wat door partijen, vakbonden, mediabazen en lobbyisten werd voorgeschreven. Jozef deed het ook tegen zijn eigen geldschieters in.
Wij kenden mekaar al van 1975, toen ik uit Kongo (Zaïre) terugkwam en aan de universiteit ging werken. Ik had al een paar essays in zijn Ons Erfdeel gepubliceerd, hij vond het best dat ook niet-modieuze literatuur aan bod kwam. Wij zagen elkaar meer toen ik in 1978 de laatste secretaris van het Nieuw Vlaams Tijdschrift werd, en de facto ook van de Arkprijs. En wij waren beiden geboeid door Frans-Vlaanderen. Niet uit lachwekkend nationalisme, meer om de verbondenheid. Als we gingen eten gebeurde dat evengoed bij Yvonne in Godewaarsvelde als in het Signature Gold Steakhouse van Halewijn (Halluin) – en altijd bezong hij de velden langs beide kanten van de schreve. Vanuit de Murissonstraat in Rekkem keek hij uit over de akkers van zijn vader, een Fransman. Hij was als de dood voor brulflaminganten. Maar even scherp voor de beulemansen en de nijdgedreven FDF-ers. Wat ons bond was een vrolijk anarchisme, en de afwijzing van elke verslonzing, in taal, kunst, cultuur en solidariteit.
Ik ontbloot het hoofd van de koning (die wij beiden resoluut afwezen) niet als ik zeg dat hij de Arkprijs veel vroeger had kunnen krijgen. Ik herinner me een ellenlange vergadering na een staking van stemmen. Twee kandidaten bleven stug overeind met eenzelfde aantal stemmen. De toenmalige voorzitter hakte uiteindelijk de knoop door. Ten nadele van Jozef. Eén van de juryleden moet wat later zijn mond voorbijgepraat hebben, want sindsdien kon geen ontmoeting zonder knorrige opmerkingen dat hij toch ook de Arkprijs verdiend had. Dat was ook zo. En daarom was ik zeer blij dat het comité, na dertig jaar viering in Galerie De Zwarte Panter van Adriaan Raemdonck in Antwerpen, in het Huis van Herman Teirlinck (stichter van de Arkprijs) een nieuwe thuis vond. De allereerste laureaat die in Beersel bekroond werd, was Jozef. Hij straalde als een pioen, al had het me bloed en zweet gekost om hem een tekst te laten afstaan voor het huldeboek. Uiteindelijk zwichtte hij –“maar voor u, he jonge vriend”, zei de vieve tachtiger me – en schoof me Uit de Blog van de Marquis de la Frontière toe, een satirische sneer naar de platte Vlaming. Op papier van zijn gedichtenblad Het Liegend Konijn stuurde hij me een dankkaartje, want “ik ben ijdel genoeg om er blij mee te zijn”.
Sindsdien belden we mekaar bijna wekelijks, gewoon om te kankeren over de verzuring, de verslapping, de politieke schertsvertoningen, het gebrek aan waardigheid en open samenleving, de opmars van kutnieuws, ouderdomskwalen, mijn schrijfsels in Meervoud of Uitpers, en boze boosheid over de gang van zaken. Hij zag zijn eigen culturele erfenis aangevreten worden door verloochening van het heel-Nederlandse gebied, door de barbaarse ondergraving van ons cultureel erfgoed, door een gewijzigde koers bij Ons Erfdeel (en – horribile dictu ! – de ontdoping tot De Lage Landen), terwijl zijn pronkstukken Septentrion, de Engelse, Duitse en Franse jaarboeken, en zijn reeks Nederlands: Het Verhaal van een Taal in een paar tientallen andere talen aan de deur waren geschoven. De dichter, die hij zacht verborgen in zijn gemoed was, verloor zijn geluk niet, maar stak het wel steeds dieper weg. Hoe snediger aan de telefoon, hoe melancholischer hij werd.
Het voorbije jaar hebben we vijf keer afgesproken dat ik hem in Rekkem zou opzoeken. Vijf keer heb ik afgebeld vanwege het weer of eerder vanwege andere prioriteiten. Dat moet hem zeer verdroten hebben. Al besefte hij hoe snel hij achteruit ging. “Als je komt, bel even vooraf, want ook mijn longen weigeren wat dienst. Liefst na drie uur. Eten gaat nog nauwelijks, ik kan alleen nog champagne drinken. We moeten even bijpraten”. Ik schaam me dat ik die roep niet ernstig genoeg heb genomen. De bonkige West-Vlaming had al andere kwalen overleefd, ook al was hij heel wat gewicht verloren. De telefoongesprekken werden schaarser, de laatste twee maanden vielen ze uit. Ik weet nu waarom. Maar ik blijf hem in mijn hart dragen als een man die voor niemand boog, koppig zijn eigen weg ging, en Vlaanderen heeft opgetild tot een huis met vele kamers. Dat uitgerekend in deze weken de Vlaamse regering cultuur aan stukken hakt of uithongert, en een ekonomische woestenij aanlegt, is spuwen op Jozefs graf. De Arkprijs draagt zijn inzet voort. Want ons vernederen tot koelies van het grootkapitaal en de groeiende politiestaat kan sinds August Vermeylen niet meer. ’t En zal! En als de digitalisering en kunstmatige intelligentie de nieuwe Molochs worden, dan rest ons nog altijd het woord. Gesproken of op papier. Ik weet dat Jozef nu monkelend toekijkt. Vaarwel geliefde markies. Je groothertog.


